U bent hier

Myelodysplastisch Syndroom - Behandelingsmethoden

Algemeen

De behandeling is sterk afhankelijk van het soort MDS en is hoofdzakelijk bedoeld om een remissie te bekomen.


 

Chemotherapie

1. Agressieve therapie

De totale behandeling omvat verschillende chemotherapiekuren.
Hierbij worden cytostatica ( celdeling remmende middelen) door middel van een infuus toegediend.
De eerste kuur is bedoeld om de grote massa van zieke beenmergcellen af te breken.
Deze kuur noemt men de remissie-inductie kuur. Drie cytostatica worden hierbij over 10 dagen verspreid toegediend.
Na herstel van deze kuur moet er een beenmergpunctie gedaan worden om te zien of de ziekte in complete remissie is.
Zo ja, dan volgt een ander chemotherapiekuur: de consolidatie kuur. Deze heeft als doel het goede effect van de eerste kuur te versterken, te consolideren.

Bij de consolidatiekuur worden bijvoorbeeld twee cytostatica over 6 dagen verspreid toegediend. Ook na herstel van deze kuur moet het beenmerg onderzocht worden, om te zien of het nog steeds normaal uitziet.
Doordat de cytostatica ook op gezonde cellen in het lichaam werken, treden er helaas bijwerkingen op, zoals klachten van mondslijmvlies, maag en darmen en haaruitval.
Tijdelijk worden de aantallen rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes in het bloed heel laag.Men noemt dit de ‘dip’.
Om een betere bescherming tegen infecties te krijgen worden er hygiënische maatregelen genomen en krijgt men antibiotica. Zonodig worden er transfusies gegeven met rode bloedcellen of bloedplaatjes.
Gedurende de ‘dip’ is een verblijf in het ziekenhuis aan te raden. De precieze opnameduur wordt door de behandelende arts bepaald.

Ter voorbereiding van de eventueel verderop uit te voeren perifere stamceltransplantatie zullen na de consolidatiekuur, perifere stamcellen verzameld worden en vervolgens ingevroren.
Stamcellen zijn jonge beenmergcellen, die na het herstel van een dip tijdelijk in het bloed verschijnen. Dit proces wordt bevorderd door een groeifactor toe te dienen, die de groei van beenmergcellen stimuleert. Dit wordt de mobilisatie van perifere stamcellen genoemd.
Gewoonlijk krijgt men vanaf de 20e dag van de consolidatiekuur 2 x per dag de groeifactor G-CSF toegediend ( dit zijn hormoonachtige substanties die het beenmerg stimuleren voor het aanmaken van bloedcellen).
Als er voldoende stamcellen in het bloed zitten ( hetgeen men door regelmatige controle van het bloed vaststelt ) worden deze cellen door middel van stamcelaferese uit het bloed gehaald.

Perifere stamceltransplantatie

Bij een perifere stamceltransplantatie wordt eerst een behandeling gegeven die kan bestaan uit een combinatie van 2 soorten cytostatica samen met een totale lichaamsbestraling of 3 soorten cytostatica alleen.
Deze behandeling beslaat gewoonlijk 10 dagen en heeft tot gevolg dat de beenmergcellen afgebroken worden. Direct aansluitend worden de perifere stamcellen, die eerder door middel van aferese zijn afgenomen, via een infuus teruggegeven.
Deze stamcellen vestigen zich in het beenmerg, groeien daar uit, en vormen nieuwe bloedcellen.

Soms wordt er een andere behandeling toegepast, namelijk een ‘tweede consolidatiekuur met hoge dosis Ara-C’ , waarbij men een hoge dosis met één cytostatica gedurende 6 dagen krijgt toegediend.
De stamcellen die eerder verzameld werden, worden nu niet gebruikt, maar blijven bewaard voor het geval ze later nog nodig zijn.

Allogene beenmergtransplantatie

Afhankelijk van de leeftijd en van de algemene conditie van de patiënt, zal bij het begin van de behandeling gezocht worden naar een eventuele geschikte beenmergdonor.
Als die gevonden wordt, zal men voorstellen om na de remissie-inductie en consolidatie kuur een beenmergtransplantatie te ondergaan. Alleen worden er dan geen eigen stamcellen teruggegeven, maar de stamcellen van de donor. Dit heet een allogene beenmergtransplantatie.

Bij de helft van de MDS patiënten is de ziekte na een agressieve behandeling verdwenen.
Maar, tussen 1/4 en 1/3 van de patiënten krijgt later opnieuw MDS of sterft aan de complicaties van de behandelingen.

2. “Zachtere” therapie

Deze behandelingen worden toegepast als de patiënt niet (meer) in aanmerking komt voor een agressieve therapie.
Meestal worden cytostatica dan oraal gegeven. (langs de mond)

Ook subcutane ( onderhuidse) inspuitingen zijn mogelijk met bvb.Ara C (Cytosan ®)

 

Radiotherapie

Zoals hierboven beschreven bij de perifere stamceltransplantatie wordt radiotherapie enkel gebruikt (en dan nog niet altijd) als voorbereiding op een allogene stamceltransplantatie.

 

Ondersteunende behandelingen

Deze zijn voornamelijk gericht op de bijwerkingen van de chemotherapie of de verwikkelingen van de ziekte zelf.

• Bloedtransfusies

• Behandeling met EPO (Erythropoëtine)

• Yzer-uitdrijving met Desferrosamine (Desferral ® )

• Vaccinaties (griep, pneumokokken)

• Behandeling met antibiotica zowel preventief als bij infecties.

• Antimycotica (schimmeldodende stoffen)

• Hygiënische maatregelen bij te laag aantal witte bloedcellen

• Bloedplaatjes transfusie

• Vitaminepreparaten ter ondersteuning van de bloedaanmaak zoals:

° Vitamine B 12
° Vitamine B 6
° Foliumzuur
° Vitamine E

 

Theme by Danetsoft and Danang Probo Sayekti inspired by Maksimer