U bent hier

Kahler - Medicatie en hun betekenis

Algemene therapie

Immobilisatie vermijden

B Adequate hydratie bij Bence Jones proteïnurie: 2,5 liter vocht per dag

C Hypercalciëmiebestrijding: - hydratie met NaCl 0.9%

- APD (Aredia®) 90 mg éénmalig, opgelost in NaCl 0,9%,
 500 ml, in 2 uur.                                        

D Snel starten met bestrijding van infecties met bactericide antibiotica.

E Bestrijding ontkalking: - vitamine D3 ( Devaron® : 1 dd 400 IE)
                                      
                                       - D-cure : 1 ampule per os aan 25000IE per maand
                                      
                                       - Ca Sandoz® : 2 dd 500 mg
   
                                       - clodronaat (Ostac®: 2 dd 520 mg), ( BOMEFOS: 2 x 800 mg)

                                       - Aredia® infuus om de vier weken


Chemotherapie

Een exacte therapie kan enkel ingesteld worden na een exacte diagnose, d.w.z. bepaling van het type en subtype myeloom, klinische uitgebreidheid, klinisch stadium A of B, en vaststellen van bedreigende toestanden of lokalisaties.
Voor de therapie van onverwikkeld myeloom kan men zich nog steeds richten naar de classificatie van Durie en Salmon:


- Klinisch stadium I: MP melfalan + prednison versus alternerende VCMP en VBAP

- Klinisch stadium II: VCMP x 3 / VBAP x3 blijkt superieur t.o.v. melfalan+prednison

- Klinisch stadium III: meer agressieve therapie zoals VBMCP of C-VAMP

Verklaring

Melfalan ( Alkeran), Prednison ( Medrol), VCMP= vincristine-cyclofosfamide-melfalan-prednisone,

VBAP = vincristine-BCNU-adriamycine-prednison,

VBMCP = VCMP + BCNU

ABCM = adriamycine-BCNU-cyclofosfamide-melfalan

C-VAMP = VAD + cyclofosfamide en melfalan

VAD = vincristine- adriamycine- dexamethason.

Het VAD  schema is duidelijk meer effectief bij de plasmacelleukemie subgroep, en wellicht vormt dit de belangrijkste indicatie voor het van meet af aan instellen van deze vorm van therapie. ( Dr. A. LOUWAGIE )

Onderhoudsbehandeling

De huidige trend is de behandeling te onderbreken zodra een “ stabiele remissiefase” zich over een periode van een 3-tal maanden heeft afgetekend.
Onder complete remissie wordt verstaan:

- verdwijnen van het M-proteïne in serum en/of urine   
- beenmergplasmocytose binnen normale grenzen
- geen nieuwe osteolytische letsels
- normalisatie van perifeer bloedbeeld

Een partiële remissie kan gedefinieerd worden als een min of meer stabiele toestand met reductie van het M-proteïne tot < 50% van de initiële waarde, een blijvend verhoogde beenmergplasmocytose die echter min of meer stabiel blijft, geen nieuwe osteolytische letsels, en normalisatie van het perifeer bloedbeeld.

Bij patiënten in stabiele partiële remissie gedurende meer dan 3 maanden mag de chemotherapie onderbroken worden en is strikte follow-up wenselijk:

- het eerste jaar; bloedafname en urinecontrole ( met bepaling van de Ig) om de 2 maanden; controle RX van de initiële belangrijkste skeletafwijkingen

- het tweede jaar: bloedcontrole met bepaling van de Ig en urinecontrole om de 3 maanden; beenmergonderzoek en RX om de 6 maanden

- bij stabiele remissie mogen de tussenruimten vergroot worden

Recente studies hebben aangetoond dat toediening van Interferon een significante verlenging met zich meebrengt van de ziektevrije overleving bij de patiënten met zeer goede initiële respons en mogelijkheden voor hun totale overlevingsduur, alsook een duidelijk hogere gevoeligheid voor chemotherapie bij een tweede remissie-inductie.

Theme by Danetsoft and Danang Probo Sayekti inspired by Maksimer